Het moet ergens begin november geweest zijn. Zo’n typische Belgische avond waarop het al donker is wanneer je thuiskomt en de regen tegen de ramen tikt. Ik had me die ochtend nog voorgenomen om na het werk een stukje te gaan fietsen. Een uur, misschien anderhalf, gewoon om wat beweging te hebben. Maar toen ik uiteindelijk thuiskwam, had ik daar eerlijk gezegd geen enkele goesting meer in.
Ik denk dat veel mensen dat wel herkennen. Je wilt gezonder leven, wat meer bewegen en misschien een paar kilo kwijt, maar tussen het werk, het huishouden en alles wat er nog bij komt kijken, schiet sporten er gemakkelijk bij in.
Bij mij was dat jarenlang hetzelfde verhaal. Tot ik besloot om het eens helemaal anders aan te pakken.

Geen zin meer om afhankelijk te zijn van het weer
Ik heb altijd graag gefietst. Niet dat ik iedere zondag in een wieleroutfit honderd kilometer ging afmalen, maar een tochtje door de streek vond ik heerlijk. Het probleem was vooral dat ik eigenlijk alleen fietste wanneer alles meezat. Het moest droog zijn, niet te hard waaien en ik moest voldoende tijd hebben.
In België blijven er dan soms verrassend weinig geschikte momenten over.
Een collega vertelde me op een dag dat hij thuis regelmatig op een hometrainer fietste. Ik moest daar eerst wat mee lachen. In mijn hoofd zag ik zo’n oud fitnessapparaat staan, ergens in een stoffige logeerkamer, met een handdoek over het stuur.
Maar hij zei iets wat me is bijgebleven: je hoeft niet iedere keer een hele onderneming te maken van sporten.
Dat klonk eigenlijk bijzonder logisch.
Een paar weken later stond er bij ons ook een toestel in huis. Niet het duurste model, want ik wist nog niet eens of ik het zou volhouden. Wel eentje met een degelijk zadel, verschillende weerstandsniveaus en een schermpje waarop ik mijn tijd en afstand kon volgen.
De eerste weken waren behoorlijk onwennig
Ik ga niet beweren dat ik vanaf de eerste dag enthousiast op dat ding sprong. De eerste keren vond ik het eerlijk gezegd nogal saai.
Buiten fietsen is natuurlijk iets helemaal anders. Je ziet wat van de omgeving, je voelt de wind en je hebt het gevoel ergens naartoe te gaan. Binnen trap je twintig minuten en sta je nog altijd op exact dezelfde plaats.
Dat was even wennen.
Mijn eerste fout was dat ik meteen veel te lang wilde fietsen. Ik dacht dat een halfuur toch wel het absolute minimum moest zijn om er iets aan te hebben. Na een kwartier begon ik voortdurend op de klok te kijken.
Daarom heb ik mijn aanpak veranderd. Ik begon met tien à vijftien minuten, meestal vlak nadat ik thuiskwam van het werk. Nog voor ik in de zetel ging zitten, trok ik andere kleren aan en stapte ik op de fiets.
Dat bleek voor mij het belangrijkste verschil.
Want eenmaal ik neerplofte met een kop koffie en mijn telefoon, was de kans bijzonder klein dat ik later nog ging sporten.
Na een tijdje werden die vijftien minuten vanzelf twintig minuten. En soms fietste ik gewoon wat langer, omdat ik midden in een interessante podcast zat.

Een vaste gewoonte werkt beter dan een ambitieus plan
Wat ik ondertussen geleerd heb, is dat je niet noodzakelijk een ingewikkeld trainingsschema nodig hebt.
In het begin hield ik alles nauwkeurig bij. Hoeveel kilometer had ik gefietst? Hoeveel calorieën gaf het scherm aan? Had ik mijn vorige training verbeterd?
Dat werkte eerder averechts. Wanneer ik eens minder tijd had, voelde het alsof mijn training niet telde.
Tegenwoordig probeer ik gewoon drie of vier keer per week te fietsen. Soms twintig minuten, soms veertig. Het hangt een beetje af van hoe druk de dag geweest is.
Op rustige dagen zet ik de weerstand wat lager en fiets ik terwijl ik televisie kijk. Wanneer ik wat meer energie heb, wissel ik een paar minuten stevig doortrappen af met rustig fietsen.
Die afwisseling houdt het interessant.
Ik heb ook gemerkt dat de plaats van het toestel veel uitmaakt. Aanvankelijk stond het boven, in een kamer waar we amper kwamen. Dat leek praktisch, maar eigenlijk vergat ik gewoon dat het er stond.
Nu staat mijn hometrainer op een plek waar ik hem dagelijks zie. Niet midden in de living natuurlijk, maar wel dichtbij genoeg om er zonder veel gedoe op te kunnen stappen.
Misschien klinkt dat onnozel, maar voor mij werkt het.
Waar ik achteraf beter op had gelet
Als ik opnieuw een toestel zou kopen, zou ik een paar dingen anders aanpakken.
Om te beginnen zou ik uitgebreider testen hoe comfortabel het zadel zit. Dat lijkt misschien een detail, maar na een halfuur fietsen merk je het verschil tussen een degelijk zadel en eentje waarop je voortdurend zit te schuiven.
Ook de verstelbaarheid is belangrijk. Mijn vrouw gebruikt het toestel af en toe en zij is een stuk kleiner dan ik. Gelukkig kunnen we het zadel gemakkelijk aanpassen.
Daarnaast zou ik goed opletten hoeveel lawaai het apparaat maakt. Zeker wanneer je ‘s avonds fietst en de rest van het gezin televisie kijkt, wil je geen toestel dat voortdurend staat te ratelen.
En dan is er nog het scherm. Ik dacht aanvankelijk dat ik allerlei uitgebreide trainingsprogramma’s nodig had. Uiteindelijk kijk ik vooral naar de tijd en af en toe naar mijn hartslag, als ik die meet.
Al die andere functies zijn mooi meegenomen, maar voor mijn dagelijkse gebruik niet noodzakelijk.
Wat ik wel handig vind, is een houder voor mijn telefoon of tablet. Een aflevering van een serie bekijken terwijl je fietst, maakt een halfuur soms verrassend kort.
Merk je eigenlijk verschil?
Dat is natuurlijk de vraag die iedereen stelt.
Bij mij zat het grootste verschil niet in een spectaculaire verandering op de weegschaal. Ik ben ook niet plots een fanatieke sporter geworden.
Maar ik merk wel dat mijn conditie beter is dan toen ik begon. Een stevige wandeling of een lange trap nemen voelt minder lastig. En vooral: ik beweeg nu ook op dagen waarop ik vroeger helemaal niets deed.
Dat vind ik eigenlijk de grootste winst.
Op het werk zit ik vaak lang achter een bureau. Na zo’n dag heb ik soms een vreemd soort vermoeidheid. Mijn hoofd zit vol, maar lichamelijk heb ik amper iets gedaan.
Twintig minuten fietsen helpt me dan om de werkdag van me af te zetten. Daarna neem ik een douche en begin ik met een ander gevoel aan de avond.
Niet iedere training is fantastisch. Er zijn dagen waarop ik na tien minuten al genoeg heb. En er zijn weken waarin ik het toestel nauwelijks aanraak.
Vroeger zou ik dat als mislukken beschouwen. Nu denk ik gewoon: volgende week opnieuw.
Het hoeft allemaal niet zo ingewikkeld te zijn
Achteraf bekeken was mijn grootste probleem nooit dat ik niet graag bewoog. Ik maakte de drempel gewoon te hoog.
Om buiten te gaan fietsen moest ik tijd vrijmaken, rekening houden met het weer en mezelf overtuigen om te vertrekken. Thuis kan ik zelfs nog een kwartiertje bewegen terwijl het avondeten in de oven zit.
Natuurlijk blijft buiten fietsen leuker wanneer de zon schijnt. Op een mooie zondag trek ik nog altijd graag met mijn gewone fiets de baan op.
Maar in de donkere maanden ben ik blij dat ik niet volledig afhankelijk ben van droge wegen en vrije weekends.
Die fiets in huis heeft me vooral geleerd dat regelmatig bewegen niet altijd groots of indrukwekkend hoeft te zijn.
Soms is twintig minuten trappen, zonder jas, zonder regen en zonder al te veel nadenken, precies wat je nodig hebt.